Correctiefactoren in
de roeisport
Gerben Offringa
In een artikel in
Vaarwater heb ik twee leeftijds-correctietabellen genoemd: die voor de atletiek
en die voor het roeien. Inmiddels heb ik via Erik Lysen het artikel “Correctiefactoren
voor Roeiwedstrijden” gekregen (waarover later) waarin ook tabellen voor
ergometerprestaties opgenomen zijn.
Het is interessant
de verschillende (afgeronde) factoren te vergelijken:
Mannen Vrouwen
Leeftijd A R E A R E
15 0.96 0.92 0,87 0.86 0,83 0.78
20 1.00 1.00 1.00 0.90 0.90 0.86
30 1.00 0.99 0.99 0.90 0.89 0.85
40 0.97 0.97 0.97 0.86 0.87 0.83
50 0.90 0.94 0.94 0.79 0.83 0.79
60 0.82 0.89 0.89 0.72 0.77 0.74
70 0.74 0.82 0.82 0.63 0.71 0.68
80 0.64 0.73 0.73 0.54 0.64 0.61
A = Atletiek ( de
10 km tabel)
R = Roeien
E = Ergometeren (de
tabel voor 2500 m en 30 min.)
Opmerkingen:
Zowel bij de atletiek als bij het
roeien is de correctiefactor van Vrouw naar Man bij de 20 tot 30 jarigen 0.9.
Dus om de tijd van een vrouw te vergelijken met de tijd van
een man, wordt haar tijd met 0,9 vermenigvuldigd. Voor wat de atletiek
betreft klopt dit nagenoeg exact: de wereld standaard voor vrouwen op de 10 k
ligt op 29min.55sec. (=1795 sec.). Die voor mannen ligt op 26min.58sec. (=1618 sec.) 0.9 x 1795 = 1616!
Waarschijnlijk is de 0.9 factor bij het roeien op soortgelijke gegevens
gebaseerd. Bij ergometeren is de factor 0.86. Bij het toenemen van de
leeftijden worden de correctiefactoren van vrouw naar man geleidelijk wat lager.
Ouderen, vooral na het 40e jaar, krijgen bij het lopen aanzienlijk meer
voordeel dan bij het roeien.
Bij mannen liggen de coëfficiënten
voor roeien en ergometeren ongeveer gelijk; bij oudere vrouwen vallen de coeff.
bij het ergometeren iets gunstiger uit.
De algemene conclusie is dat bij het roeien de opklimmende leeftijd
relatief het minst gecompenseerd wordt.
Bij de correctiefactoren voor het roeien wordt geen onderscheid gemaakt
tussen “licht” en “zwaar”, Een zwaardere skiffeur (roeier), wordt gesteld, wekt
in het water, door het dieper liggen van zijn skiff, een grotere weerstand op.
Hij moet daardoor een groter vermogen aanwenden op even hard te gaan als een
lichtere skiffeur. Bij de ergometer speelt dit geen rol. Een zwaardere roeier
(met een verondersteld groter vermogen) maakt daarom i.h.a. op een ergometer
een snellere tijd dan een lichtere roeier. Hiervoor zijn dan ook –
gewichtsgerelateerde – correctie tabellen ontwikkeld die hier niet verder
meegenomen worden. Alleen een paar voorbeelden: een man van 90 kg krijgt op de
ergometer een correctiefactor van 1.035 t.o.v. een man van 77 kg (factor 1.00)
en een vrouw van 54 kg krijgt een factor 0.97 t.o.v. een vrouw van 62,5 kg (factor 1.00). Zo kunnen
dus M en V van verschillende leeftijden en gewichten toch tegen elkaar uitkomen.
Zowel de gegevens over het roeien als het ergometeren komen uit het
genoemde artikel “Correctiefactoren voor roeiwedstrijden” van J.Katgerman
(KR&Z De Maas) en W.R. Muller (RV Breda) uit 1995. Dit zijn ook de auteurs
van de in de eerdere “Vaarwater” gepubliceerde tabel “Correctiefactoren voor leeftijd en boottype”. Veel van de
gebruikte gegevens zijn gehaald uit de FISA veteranen wedstrijden en de
jaarlijkse World Ranking Lists van
Concept II voor ergometerresultaten. De gepubliceerde leeftijdsfactoren voor M
en V in de boot zijn met cijfers van diverse andere instanties en verenigingen
in binnen- en buitenland vergeleken. In het algemeen blijkt een grote mate van
overeenstemming. De bij het artikel behorende tabellen bestaan uit de volgende
groepen:
·
Voor roeiers M/V van 11 – 85 jr.
·
Voor ergometers M/V van 8 – 85 jr.
·
Voor gewichtscorrecties M/V van 25 – 120 kg.
Ervaring. Volgens het aangehaalde artikel worden zowel bij De Maas als bij
Breda roeiwedstrijden gehouden waarbij correctiefactoren voor leeftijd en
boottype worden toegepast. Het zou interessant zijn na te gaan in hoeverre dit
ook bij andere verenigingen (inmiddels) ingang heeft gevonden. De Maas heeft in
de winter zelfs een laddercompetitie waarbij bij elke wedstrijd een roei(st)er
“punten” kan verdienen op basis van de prestaties van de ploeg waarin geroeid
wordt (gecorrigeerd naar leeftijd en boot). De 3 beste resultaten uit 6
winterwedstrijden gelden. Het systeem heet met enthousiasme ontvangen te zijn
en stimulerend te werken.
Rest nog het vinden van correctiefactoren voor het vergelijken van
verschillende afstanden.
Tot nu toe ben ik geen gegevens
tegengekomen waarmee verschillende roeiafstanden met elkaar vergeleken
kunnen worden; zoals de 5%-regel bij de atletiek.
Voor de Eemhead, waar wedstrijden over 2, 6 en 8 km geroeid worden zou dit
interessant zijn.
Even aannemend dat de 5% regel ook voor het roeien geldt, en de 6km en de
2km naar de 8 km afstand omgerekend worden, zouden de volgende
correctiecoëfficiënten gelden:
2 km-tijd maal 4,41 geeft de virtuele 8 km-tijd,
6 km-tijd maal 1,35 geedt de virtuele 8km-tijd.
De extrapolatie van 2 naar 8 km is vrij groot en daardoor de gevoeligheid
van de correctiefactor voor een variatie van de 5%. Voor 4, resp. 6%, worden de
factoren 4,33 en 4,49, ongeveer 1,8% minder of meer dan 4,41; 1,8% op een tijd
van 30 min. is 32 sec. Dit lijkt te veel.
Bij de extrapolatie van 6 naar 8 km is de invloed van da afstandscorrectie
veel geringer; de correctie factoren variëren t.o.v. de 1,35 met ongeveer 0,5%,
ofwel 9 sec. op 30 min.
Overigens moet ook de variatie in uitslagen niet onderschat worden als
gesprongen wordt in leeftijdscoëfficiënten, vooral bij het hanteren van
leeftijdscategorieën. Bv. bij categorie D – 50 tot 54 jr. – is het verschil in
onder- en bovengrens 0,0177. Dat is op 30 min. ongeveer 32 sec. , dus +/- 16
sec.. Een 49 jarige roeier, coeff. 0,9443, valt onder categorie C, coeff.
0,9544, een verschil van 0,0101, ofwel
20 sec. op 30 min. Een ev. variatie in de 5% regel valt binnen de ordegrootte
vergeleken bij die voor leeftijden, maar zeker ook voor boottypen, waarbij een
sprong van 0, 01 weinig voorstelt maar toch op 30 min. 18 sec. betekent!
Wat voor het roeien geldt, geldt ook voor het ergometeren. Indien bv.
categorieën van zeg 50 – 54 jr. voor mannen gemaakt zouden worden is het
verschil tussen onder- en bovengrens ongeveer 40 sec.; bij een gewichtsklasse
van 85 – 90 kg voor mannen is dit ongeveer 23 sec.
Hoewel we dus rekenen met veel cijfertjes achter de komma en de uitslagen
tot op seconden gecorrigeerd worden, moeten we het effect en nadeel van werken
met de relatief toch grove cijfers en afrondingen wel in ons achterhoofd
houden. Het nadeel is inherent aan het hanteren van correctiefactoren. Bij het
hanteren van uitgebreide tabellen is het nadeel minder dan bij het afronden in
categorieën.
Het is dus duidelijk dat het werken met absoluut gemeten tijden een veel
correctere uitslag geeft dan dat deze tijden nog eens vermenigvuldigd worden
met een correctie coëfficiënt. Dit nadeel zal men moeten accepteren als men dus
appeltjes met peren of cox-oranges met goudrenetten wil vergelijken. Dat geldt
voor het roeien, het ergometeren, de atletiek en zeilwedstrijden die met
handicapfactoren gezeild worden.
Maar het wordt wereldwijd gedaan, het geeft stimulans en extra
mogelijkheden; vooral bij grote verschillen in leeftijd, gewicht, boottype,
niet al te bezette nummers, laddercompetities en als je tot een
“overall”winnaar zou willen komen.
Een idee dus om bijvoorbeeld toegepast te worden bij de a.s. Eemhead van
2003.
Als vooroefening zouden bv. de uitslagen van de Eemhead 2002 al vast eens
bekeken kunnen worden. Een aardig karweitje voor de volgende “Vaarwater”, mits
de leeftijdsopgaven nog bekend zijn.